Op Goeree-Overflakkee waren op 4 mei in veel dorpen herdenkingen. Tijdens de dodenherdenking op 4 mei in Ouddorp sprak Adriaan Kasteleijn namens de gemeente Goeree-Overflakkee een indringende herdenkingsrede uit. In zijn toespraak stond hij stil bij de offers van oorlogsslachtoffers, de ingrijpende gevolgen van de Tweede Wereldoorlog voor onze lokale gemeenschap en de blijvende betekenis van vrijheid en rechtsstaat.
Met persoonlijke verhalen, historische voorbeelden en een duidelijke blik op de wereld van vandaag riep hij op tot blijvende waakzaamheid. Hij legde samen met zijn vrouw een krans namens de gemeente. In de bijeenkomst vooraf gaf Jack Westhoeve een indruk over de meidagen van 1940 en sprak hij over twee Ouddorpers die in die dagen het leger dienden te weten: Markus van ‘t Geloof en Jacob Breen. Ze lieten beiden het leven op jonge leeftijd.
Hieronder leest u de volledige toespraak:
”Dames en heren, jongens en meisjes, Vandaag komen wij samen om te herdenken. Opdat wij niet vergeten. Laat ik beginnen met u te danken voor uw aanwezigheid. Het blijft indrukwekkend om als één land op 4 mei met elkaar onze oorlogsslachtoffers te herdenken. Ik dank de organisatie, Caroline, Jack en de overige vrijwilligers voor hun inzet voor deze herdenking.
Wij herdenken vandaag allen die hun leven verloren tijdens de Tweede Wereldoorlog, de koloniale oorlog in Indonesië, en bij latere oorlogssituaties en vredesmissies. Wij noemen hun offers. Wij bewaren hun verhalen. En wij geven die door.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd onze samenleving stap voor stap ontwricht. Vrijheden verdwenen. Rechten werden afgenomen. De democratische rechtsstaat werd buiten werking gesteld. Een indringend voorbeeld daarvan is de Arbeitseinsatz. Arbeidsinzet. Tijdens de oorlog zetten de nazi’s tussen de 10 en 15 miljoen mensen uit heel Europa gedwongen aan het werk. Dwangarbeiders. Burgers, krijgsgevangenen en politieke gevangenen. Ook meer dan een half miljoen Nederlanders.
Ook op Goeree-Overflakkee. Ook in Ouddorp.
Zoals bij de grote razzia van 20 en 21 december 1944. Alle mannen tussen de 17 en 40 moesten zich melden. De Duitse oorlogsindustrie had arbeidskrachten nodig. Dorpen werden met prikkeldraad afgesloten en jonge mannen bijeengedreven en op transport gesteld. De mannen van Ouddorp moesten zich meldden bij de cichoreifabriek aan het Smalle Einde, hoek Provincialeweg. De mannen van Goedereede hoefden niet, want daar heerste een besmettelijke ziekte. Op dag 1 meldt nog niet de helft van de mannen zich. Er volgt een tweede oproep met dreiging dat elke tiende man bij huiszoekingen ontdekt, zal worden doodgeschoten. De onderduikers besluiten hun leven, en dat van hun familie, niet te riskeren en komen tevoorschijn.
Zij werden weggevoerd naar Duitsland en andere bezette gebieden. Vaak voor het eerst van hun leven over de grens. In de beginjaren ging het nog om oproepen en druk. Mensen gingen met tegenzin. Soms in de veronderstelling dat het wel mee zou vallen. Of dat ze snel weer naar huis zouden kunnen. Naarmate de oorlog vorderde, nam de dwang toe. Toen miljoenen Duitse mannen naar het front werden gestuurd, ontstonden tekorten aan arbeidskrachten. Na de ondergang van de Duitse troepen bij de Slag om Stalingrad in 1943 werd de inzet van buitenlandse arbeiders verder opgevoerd.
In 1944 brak een nieuwe fase aan. Na de geallieerde landing in Normandië werden nog meer mannen opgepakt. Niet alleen om arbeidstekorten op te vangen, maar ook om te voorkomen dat zij zich zouden aansluiten bij de oprukkende geallieerden.
Voor de mannen die werden weggevoerd, begon een onzekere tijd. Onzeker waar zij terecht zouden komen. Hoe lang zij weg zouden blijven. Of zij ooit terug zouden keren. De werkelijkheid van de arbeidsinzet was niet voor iedereen hetzelfde. Sommigen kwamen terecht op plekken waar het werk draaglijk was. Maar velen werden ingezet voor zwaar en uitputtend werk.
Zij werkten lange dagen. In kou. Met weinig eten. Sommigen spraken later over werken als een slaaf. Velen maakten bombardementen mee. Zoals mijn opa in maart 1944 in Frankfurt am Main. Hij schrijft daarover in zijn dagboek wat een tante na zijn overlijden digitaliseerde. Op 24 maart schrijft hij: “Eerst gebeurde er nog niets, maar even later kwamen de bommen los. We zaten te schudden in de schuilkelder. Opeens hoorden we een zootje bommen dichtbij vallen. Twee ervan troffen doel op het huis waar wij in de schuilkelder zaten. De uitwerking was buitengewoon.” Ze stonden doodsangsten uit. Ver van huis. Zonder zekerheid over morgen. Zonder zekerheid over hoe het thuis ging.
Wat al deze ervaringen gemeen hadden, was dit: de inbreuk op hun persoonlijke vrijheden. Al die jongens en mannen bepaalden niet meer zelf wat ze deden, wat ze aten, waaraan ze werkten. Ze waren hun vrijheid kwijt. Een aantal raakte niet alleen hun vrijheid kwijt maar ook hun leven. Zoals Willem Mastenbroek. Opgepakt met de razzia van augustus 1944. Vanaf kamp Amersfoort overgebracht naar concentratiekamp Neuengamme. Tot bijna het einde van de oorlog. Op bevel van Heinrich Himmler moesten de gevangenen uit het kamp vluchten voor de geallieerden. Willem werd op een schip gezet: de Cap Arcona. Dat schip werd op 3 mei 1945 gebombardeerd door Engelse vliegtuigen. Hij werd slechts 19 jaar. Of Eeuwit Hameeteman. Weggevoerd bij de grote razzia van december 1944. Hij overleed op 9 april 1945 in Salza Duitsland. Door suikerziekte en slechte voeding kreeg hij een ontsteking aan zijn been. Dat werd hem fataal. Uit zijn dagboek weten we dat hij wist: de bevrijding komt eraan. En dat hij maar één ding wilde — terug naar Ouddorp. Hij werd 30 jaar. Wat het extra aangrijpend maakt, is dat vele tewerkgestelden omkwamen in de laatste fase van de oorlog. Op het moment dat de bevrijding nabij was. Achter iedere naam schuilt een mens. Een leven dat abrupt werd onderbroken.
Wij herdenken vandaag ook de Joodse inwoners van ons land. Mannen, vrouwen en kinderen die werden vervolgd, gedeporteerd en vermoord. Voor de oorlog uitbrak, telde Goeree-Overflakkee 63 Joodse eilandbewoners. Slechts zes overleefden de oorlog. Hun namen blijven. Hun geschiedenis verplicht ons tot herinneren.
De oorlog trof de samenleving in haar kern. En de gevolgen reikten verder dan 1945. Zo herdenken we vandaag ook de ramp met vissersschip OD1 in 2005. De bomexplosie als gevolg van oud opgevist oorlogstuig eiste drie slachtoffers, Jaap van der Klooster, Hans Meijer en Jos van Belzen. Wij gedenken hen en hun nabestaanden
Ook in onze wereld van nu zien wij conflicten, onderdrukking en onvrijheid. Er zijn veel plekken waar oorlog en geweld het dagelijks leven bepalen. Overal ter wereld worden mensen beroofd van hun rechten, van hun stem en van hun veiligheid. Ons verleden herinnert ons eraan waakzaam te zijn, om vrijheid te verdedigen en te beschermen. Dichtbij en wereldwijd.
Daarom is herdenken meer dan terugkijken. Het is ook een moment van bezinning. Op de betekenis van vrijheid. En op de waarde van de democratische rechtsstaat. Vrijheid betekent dat wij in veiligheid kunnen leven. Dat wij onze mening kunnen uiten. Dat wij mogen zijn wie wij zijn. De democratische rechtsstaat beschermt die vrijheid. Door grenzen te stellen aan macht. Door rechten te waarborgen. En door mensen te beschermen tegen willekeur. Juist dat ontbrak in de oorlogsjaren.
Daarom herdenken wij. Opdat wij niet vergeten. En opdat wij blijven beseffen dat vrijheid nooit vanzelfsprekend is”.
